Alle kleuren van de regenboog

Rood, oranje, geel, groen, blauw, violet. De zes kleuren van de regenboogvlag. Ze staan al jaren symbool voor de LHBT gemeenschap in ons land. Voor wie het nog niet wist: LHBT staat voor lesbische, homo, biseksuele en transgender/transseksuelen. Ik ken het symbool al jaren, maar vandaag realiseer ik me ineens dat ik nog nooit echt heb nagedacht over wat deze vlag voor mij betekend.

Ook al was ik 27 jaar geleden de eerste in onze familie die het ‚gewone’ denken omver gooide door met een vriendinnetje ipv een vriendje thuis te komen, heb ik nooit gevoeld dat die vlag over mij ging. 27 jaar geleden was het nog lang niet ‚gewoon’, om als vrouw op vrouwen te vallen of als man op mannen. Een jaar of acht na mij kwam mijn nichtje uit de kast. Mijn schuld, volgens mijn oom, ze hadden tenslotte bij mij in de stoel gezeten, toen ik jaren eerder op zijn kinderen paste terwijl zijn vrouw drie weken in het ziekenhuis lag. Toen hij doorkreeg dat ik verliefd was op mijn beste (hetero)vriendinnetje in die tijd, was het over met het veilig bij hun grote nicht in de stoel zitten ‚s avonds voor de televisie. Dat het voor de kleintjes al verwarrend genoeg was met hun moeder in het ziekenhuis, vergat hij even. ’s Ochtends aan het ontbijt werd de standaard vraag van mijn oom, „wie wil er een wentelteefje, het teefje hebben we al.”

Uitsluiting, daar ging het om. Je hoorde erbij, of je hoorde er niet bij en ik hoorde er vanaf dat moment duidelijk niet meer bij. Verdeeldheid, dat was wat de kleuren voor mij betekenden toen ze jaren later symbool werd voor de homo-gemeenschap, zoals ze ooit begonnen zijn. Ik hoorde er niet bij. Die boodschap had ik al mijn hele leven te horen gekregen op allerlei fronten en nu was er ook nog een vlag voor. Ik wilde er ook niet bijhoren, want ik voelde me niet ‚zo’. Ja, ik viel op vrouwen, maar dat was anders, ik was niet lesbisch, ben ik ook nooit geweest. Om lesbisch te zijn, moet je jezelf als vrouw identificeren en dan nog eens als vrouw die op vrouwen valt, maar ik voelde me geen vrouw, dus hoorde ik er nog steeds niet bij. Ergens klopte er iets niet, maar het duurde nog jaren voor ik doorkreeg wat dat was. Ik wist alleen dat ik verliefd werd op meisjes en dat ik hun vriendje wilde zijn, nooit hun vriendinnetje.

Jaren van verwarring en heftige depressies later, ontdekte ik het boek van de Amerikaanse Leslie Feinberg ‚Een butch zingt de blues’. Het boek verteld de  zoektocht van een lesbische butch naar de waarheid over haar seksualiteit en genderidentiteit in de roerige jaren ’60 en ’70 en vind op 28 juni het hoogtepunt in de Stonewall Rellen, waar het tot een gewelddadig treffen kwam tussen de homo en lesbische gemeenschap en de autoriteiten in het New York City van 1969.

Deze rel was de eerste waarbij de homo en lesbische gemeenschap terugvocht na jaren van pesterijen en intimidatie door de autoriteiten. Precies een jaar later vond in NY de allereerste Gay Pride Parade plaats. Het boek verteld hoe hoofdpersoon Jess, onder druk van de samenleving op het pad komt van de, toen nog illegale, hormonen en een borstverwijderende operatie ondergaat om als man door het leven te gaan. De zoektocht en ontwikkeling van deze Jess was één groot herkenningsmoment voor mij, zodat ik met een zucht van opluchting het boek aan mijn psycholoog toonde met de mededeling

‚Dit ben ik!’

De psychologe met een verbaasde blik antwoorde.

„Dan mag je even vertellen waar het over gaat, want ik ken dat boek niet.”

Na mijn uitleg wat ik er zo in herkende volgden een aantal gesprekken met een bekende psychiater, want mijn pscych was met dit gebied niet bekend genoeg zei ze. Uit de gesprekken bleek al snel dat ik ‚kenmerken’ vertoonde van transseksualiteit, maar omdat ik nog met andere issues in de knoop lag was het advies die vooral eerst uit te werken voordat ik drastische stappen nam die niet terug te draaien zijn.

Dat was ook mijn wens, maar dat wat ik al die jaren gevoeld had nu een plek begon te krijgen was een grote opluchting op dat moment.

Na nog een paar jaar therapieën en uitzoekwerk waren de andere issues waar ik mee worstelde grotendeels weggewerkt, maar de gevoelens en verwarring rond het gendervraagstuk ‚ben ik nou een jongen of een meisje’ bleven en zo kwam ik in 2011 bij de Genderkliniek van het VU Amsterdam terecht. Heftige depressies en verwarring in contacten met mensen zorgden ervoor dat ik me steeds meer afzonderde, tot ik geen andere keus meer had dan onder ogen zien waar ik voor wegliep. Ik moest hier iets mee doen.

Ik lieg namelijk. Iedere keer dat ik buiten de deur stap of de telefoon beantwoord en iemand mevrouw tegen mij zegt lieg ik, want dat ben ik niet. Niet alleen. Een meneer ben ik ook niet, want mijn lichaam en 50 jaar leven als vrouw zeggen iets anders. En toch voelt het als liegen, gewoon door te zijn wie ik ben, een mens die zich 80% man voelt en 20% vrouw. „Hoe kom je op die verdeling?” vragen mensen dan. Dat is intuïtief.

Er is altijd dat instinctieve moment van even willen omkijken als iemand ‚mevrouw’ tegen mij zegt. Was dat tegen mij? Ik zie geen vrouw. Er is het lange haar, wat lang moet blijven, want als ik als jongen geboren was, had ik ook lang haar gehad, dus waarom zou dat nu niet mogen.

Er is altijd die verwarring van verliefd worden op hetero-vrouwen en niet snappen waarom ze niet zien dat ik geen vrouw ben. ‚Als je een jongen was geweest, was je perfect’ of ‚Laat jij je maar ombouwen, dan ben ik weer normaal’. En wat moet je met mannen die je een leuke vrouw vinden en als zodanig gaan behandelen, terwijl een stem in je hoofd roept ‚ik ben geen homo!’

Ja, ik ben hetero, ik val op vrouwen en ik zie eruit als vrouw en ergens ben ik dat ook na 50 jaar hard werken en dat feit proberen te leren accepteren, maar er is ook die man die niemand ziet, door niemand gehoord wordt en die leven wil!

Ik wil niet meer liegen door te zijn wie ik niet ben, maar ik weet nog niet precies hoe het verder moet. Want kan ik verder gaan als man en vergeten dat ik vrouw was, als ik als vrouw zoveel heb moeten overwinnen en toch nooit kon vergeten dat ik man ben? Ergens moet een gulden middenweg zijn, maar de wereld deelt ons in tweeën. Hoe lang duurt het nog voordat er plaats komt voor een derde, vierde, vijfde, zesde mogelijkheid? Hoe houden wij dit in de tussentijd vol?

En dan ineens begin ik het te snappen, de zes kleuren van de regenboog. Origineel waren het er acht, toen de Amerikaanse kunstenaar Gilbert Baker in 1978 de vlag ontwierp voor de Gay pride van dat jaar. De vlag stond symbool voor de trots van de lesbische en homogemeenschap en diens diversiteit. Baker zou voor zijn vlag geïnspireerd zijn door de Flag of the Human Race, die in de jaren ’60 werd gebruikt voor wereldvrede demonstraties en uit vijf gekleurde banen bestond; rood, zwart, bruin, geel en wit.

De acht banen van de oorspronkelijke vlag van Baker stonden symbool voor:

  • roze – seks
  • rood – leven
  • oranje – geneeskracht
  • geel – zonlicht
  • groen – natuur
  • turkoois – magie
  • blauw – sereenheid
  • violet – karakter

Omdat de kleur roze niet gefabriceerd kon worden bij het in productie gaan, werd deze eraf gelaten. Toen ook nog bleek dat bij het verticaal ophangen van de vlag de turkooizen baan wegviel achter de stok, werd ook deze weggelaten en zo bleven de zes kleuren over.

Het gaat over verbinden, maar een eigen vlag hebben is tegelijk ook weer een stukje verdeeldheid, los van wie er niet onder vallen. Het heeft jaren geduurd voor de transmensen onder de vlag van de homoseksuelen mee mochten doen. Hoe lang duurt het nog voor er gewoon 1 vlag komt waar we allemaal onder vallen?

Ja, groeperen is belangrijk, want gezamenlijk sta je sterker dan alleen, maar al die groepjes samen, dat is waar we uiteindelijk naar toe moeten, gewoon 1 grote groep mensen die de wereld bevolken, los van alle verschillende vormen waarin we dat doen. Ik ben een vrouw die zich man voelt, of een man die als vrouw geboren is en geleefd heeft, ik ben als zodanig hetero, ik ben kunstenaar, ik ben dochter, zus, buurman en buurvrouw, vriend en vriendin, maar bovenal ben ik mens, net zoals jij. Daar is maar 1 vlag met 1 kleur voor nodig. Ik stel voor de kleur wit, omdat in het kleurenspectrum dit de plek is waar alle kleuren uit voortkomen. Met zijn allen kunnen wij dat!